Echtgenoot hoeft niet te bewijzen hoe ontvangen giften zijn besteed

Tot aan hun echtscheiding in 2010 waren M en V in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Tijdens het huwelijk heeft M geldbedragen (in totaal € 181.512) van zijn moeder geschonken gekregen. Deze bedragen zijn overgemaakt naar een bankrekening die behoorde tot de huwelijksgoederengemeenschap. M stelt dat hij een vordering heeft op de gemeenschap, omdat op de schenkingen een uitsluitingsclausule van toepassing was.

 

Familie & Echtscheidingen

In hoger beroep oordeelt het hof dat M voldoende heeft bewezen dat de schenkingen zijn gedaan met toepassing van een uitsluitingsclausule. Door overboeking van de schenkingen op de bankrekening waarvan het saldo tot de gemeenschap behoorde, is het volledige bedrag van deze schenkingen in de gemeenschap gevallen en is de gemeenschap hiermee gebaat. Volgens het hof valt niet in te zien welke bijdrage de door de rechtbank opgedragen uitlating door M over de besteding van deze gelden kan leveren aan de vraag of al dan niet een reprise is ontstaan. Nu immers vast staat dat (1) een uitsluitingsclausule is gemaakt, (2) de gelden in de gemeenschap zijn gevloeid en (3) de gemeenschap daarbij is gebaat, staat ook vast dat een repriserecht is ontstaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het niet relevant naar welke rekeningen de gelden na de bijschrijving op de genoemde bankrekening zijn overgemaakt. Nu de gelden tot de gemeenschap zijn gaan behoren, heeft de afzondering van (een deel van) de gelden op een andere rekening, ongeacht de tenaamstelling van die bankrekening, niet tot gevolg dat die gelden ophouden tot de gemeenschap te behoren. Het hof oordeelt dat M zich niet nader behoeft uit te laten over de besteding van de geschonken bedragen en dat hij thans een reprise heeft ter grootte van € 181.512.

Gerechtshof Arnhem, 17 januari 2013, LJN BZ1977

Bron: vFAS